KERKGESCHIEDENIS · SYNAGOGE · VROUWELIJK LEIDERSCHAP

Vrouwen als leiders in de antieke synagoge

Wat inscripties ons werkelijk vertellen

Door David Hancart 22 september 2026 Artikel

Inleiding

Wanneer we ons een synagoge uit de tijd van Jezus en Paulus voorstellen, denken we gemakkelijk aan een wereld waarin mannen onderwijzen en besturen, terwijl vrouwen op de achtergrond blijven. Antieke inscripties maken dat beeld echter ingewikkelder.

De stenen spreken

Een van de belangrijkste studies hierover is Bernadette Brootens Women Leaders in the Ancient Synagogue. Zij verzamelde Griekse en Latijnse inscripties waarin Joodse vrouwen titels dragen die verbonden zijn met de synagoge. We ontmoeten onder andere vrouwelijke “hoofden van de synagoge”, “oudsten” en “moeders van de synagoge”.

De inscripties komen uit verschillende plaatsen en eeuwen. Een opschrift uit de tweede of vierde eeuw bewijst niet automatisch hoe iedere synagoge in de tijd van Jezus functioneerde. Evenmin vertelt een titel ons precies welke taken iemand uitvoerde. Toch maken deze bronnen één eenvoudige bewering moeilijk houdbaar: dat leidinggevende titels in de antieke synagoge per definitie uitsluitend aan mannen toekwamen.

Rufina, hoofd van een synagoge

Het bekendste voorbeeld is Rufina uit Smyrna, het huidige İzmir. In een Griekse grafinscriptie wordt zij aangeduid als Ῥουφεῖνα Ἰουδαία ἀρχισυνάγωγος: “Rufina, Joodse vrouw, hoofd van de synagoge.” Zij liet een graf maken voor haar vrijgelaten slaven en mensen uit haar huishouden.

Vooral het woord archisynagōgos is opvallend. Het Nieuwe Testament gebruikt dezelfde titel voor mannelijke synagogeleiders, bijvoorbeeld voor Jaïrus (Marcus 5:22) en in Handelingen 13:15. Rufina krijgt dus geen aparte “vrouwentitel”, maar een bekende synagogale leiderschapstitel.

Daarmee is nog niet bewezen dat zij predikte, de Schrift voorlas of exact dezelfde verantwoordelijkheden had als iedere mannelijke archisynagōgos. De inscriptie geeft geen functieomschrijving. Maar zij laat wel zien dat een Joodse gemeenschap een vrouw publiek kon aanduiden als archisynagōgos.

Dezelfde titel

Rufina wordt aangeduid met dezelfde bekende synagogale leiderschapstitel die het Nieuwe Testament voor mannelijke synagogeleiders gebruikt.

Alleen een eretitel?

Sommige onderzoekers zagen zulke vrouwelijke titels vooral als eretitels voor rijke weldoeners. In de Grieks-Romeinse wereld konden schenkers inderdaad aanzien en publieke titels ontvangen.

Brooten wijst echter op het volgende: bij mannen werden dezelfde titels vaak zonder veel discussie als echte functies gelezen, terwijl ze bij vrouwen sneller “honorair” worden genoemd. Dat verschil mag niet worden aangenomen enkel omdat de ontvanger van de titel een vrouw is.

De conclusie ligt daarom tussen twee uitersten. We kunnen niet zeggen dat iedere vrouw met zo’n titel functioneerde als een moderne voorganger. Maar we mogen een titel bij een vrouw ook niet anders interpreteren dan dezelfde titel bij een man, tenzij de historische context daar aanleiding toe geeft.

We mogen een titel bij een vrouw niet anders interpreteren dan dezelfde titel bij een man, tenzij de historische context daar aanleiding toe geeft.

Vrouwen als oudsten en weldoeners

Rufina staat bovendien niet alleen. Brooten bespreekt meerdere inscripties waarin vrouwen een vrouwelijke vorm van presbyteros dragen: presbytera, “oudste”. Ross S. Kraemer onderzocht later onder meer een inscriptie uit Malta die opnieuw de vraag naar vrouwelijke oudsten in Joodse diasporagemeenschappen opende.

Ook de titel “moeder van de synagoge” komt voor. Die lijkt waarschijnlijk sterker verbonden met status, patronage en weldoenerschap dan met een duidelijk omschreven liturgisch ambt. Toch is ook dat betekenisvol. Synagogen waren gemeenschappen die gebouwen, geld en sociale netwerken nodig hadden. Vrouwen traden aantoonbaar op als schenkers en publieke weldoeners. Zij stonden dus niet noodzakelijk buiten het religieuze gemeenschapsleven.

En de vrouwenafdeling?

Ook het bekende beeld van een vaste vrouwenafdeling in iedere antieke synagoge vraagt nuance. Vanuit latere Joodse praktijken wordt soms verondersteld dat mannen en vrouwen in de eerste eeuw overal strikt architectonisch gescheiden zaten. Brooten betoogt dat daarvoor in de Romeinse periode geen overtuigend algemeen bewijs bestaat.

Dat betekent niet dat mannen en vrouwen nergens gescheiden zaten. Lokale gebruiken konden verschillen. Het betekent alleen dat we een latere praktijk niet automatisch op alle synagogen uit de tijd van het Nieuwe Testament mogen projecteren.

Wat betekent dit voor het Nieuwe Testament?

De inscripties lossen het debat over vrouwen in de kerk niet op. Daarvoor zijn ze te verspreid in tijd en plaats. Rufina bewijst bijvoorbeeld niet dat vrouwen in iedere synagoge van de eerste eeuw leidinggaven.

Maar het omgekeerde klopt evenmin: de wereld van Jezus en Paulus kan niet eenvoudig worden voorgesteld als een wereld waarin vrouwelijke religieuze verantwoordelijkheid ondenkbaar was. Dat vormt relevante achtergrond wanneer we in het Nieuwe Testament vrouwen ontmoeten als Febe, diakonos van de gemeente in Kenchreeën (Romeinen 16:1), Prisca, die samen met Aquila Apollos onderwijst (Handelingen 18:26), en Junia in Romeinen 16:7.

De synagoge-inscripties bewijzen hun functies niet. Ze helpen ons wel om onze historische vooronderstellingen te controleren.

Conclusie

De antieke synagoge was geen moderne egalitaire instelling. Vrouwen leefden binnen een samenleving waarin mannen doorgaans meer juridische en maatschappelijke mogelijkheden hadden. We moeten van enkele inscripties dus geen egalitarisme avant la lettre maken.

Maar de stenen spreken wel. Joodse vrouwen worden in antieke inscripties aangeduid als archisynagōgos, als oudste, als “moeder van de synagoge” en als weldoener. Over de precieze inhoud van die functies blijft discussie mogelijk, maar vrouwelijk leiderschap was binnen sommige Joodse gemeenschappen kennelijk mogelijk en publiek benoembaar.

Deze bronnen waarschuwen ons voor de uitspraak: “Zo was het nu eenmaal in die tijd.” De oudheid was ingewikkelder dan dat.

Bronnen

  1. Bernadette J. Brooten, Women Leaders in the Ancient Synagogue: Inscriptional Evidence and Background Issues. Brown Judaic Studies 36. Chico, CA: Scholars Press, 1982.
  2. Ross S. Kraemer, “A New Inscription from Malta and the Question of Women Elders in the Diaspora Jewish Communities”, Harvard Theological Review 78 (1985), 431–438.
  3. Ross S. Kraemer (red.), Women’s Religions in the Greco-Roman World: A Sourcebook. Oxford: Oxford University Press, 2004, p. 251 (Rufina).
  4. Lee I. Levine, The Ancient Synagogue: The First Thousand Years. 2e ed. New Haven/London: Yale University Press, 2005.

Copyright

© 2026 David Hancart – Bijbelse Gelijkheid. Alle rechten voorbehouden.