Soms schrijft Paulus dingen waarvan je zou willen dat hij ze niet geschreven had. Dit artikel leest 1 Korintiërs 11 door een andere bril: niet als eindpunt van mannelijke hiërarchie, maar als een verrassende beweging naar wederkerigheid, eigen gezag en eigen luister.
Soms schrijft Paulus dingen waarvan je zou willen dat hij ze niet geschreven had.
Neem 1 Korintiërs 11:
De man is het beeld en de luister van God; de vrouw is de luister van de man. De man is immers niet uit de vrouw voortgekomen, maar de vrouw uit de man. En de man is niet omwille van de vrouw geschapen, maar de vrouw omwille van de man.
Daar staat het dan.
Wie op zoek is naar een Bijbeltekst om te verdedigen dat God de man boven de vrouw heeft geplaatst, lijkt niet verder te hoeven zoeken.
Maar wat als wij Paulus nu eens lezen door een gekleurde bril en hij helemaal niet uitkomt waar wij denken dat hij uitkomt?
Wat als hij een bekende redenering over man en vrouw oppakt, ermee aan de haal gaat en uiteindelijk precies daar terechtkomt waar je het na deze woorden niet zou verwachten: bij de eigen autoriteit van de vrouw?
Dat is geen vanzelfsprekende lezing van 1 Korintiërs 11 en zeker niet de enige mogelijke. Daarvoor is dit gedeelte te ingewikkeld en weten we te weinig van de discussie waarop Paulus reageert. Ik wil dan ook niet bewijzen dat Paulus het precies zo bedoeld heeft. Maar laten we deze mogelijkheid eens serieus nemen en kijken wat er gebeurt als we het hele gedeelte op deze manier lezen.
Briefwisseling
Paulus schrijft niet simpelweg een brief omdat hij daar zin in heeft. Hij schrijft een brief aan echte mensen, met echte vragen. En deze brief van Paulus is een antwoord op vragen en conflicten in de gemeente van Korinthe. Zij hebben hun vragen opgeschreven en aan Paulus, hun gemeentestichter, gestuurd. Deze brief is echter verloren gegaan, maar sommige delen van de inhoud zijn goed te reconstrueren.
Veel uitleggers herkennen in 1 Korintiërs verschillende vragen of slogans die leefden in de gemeente. Op verschillende plaatsen lijkt Paulus zo'n uitspraak op te pakken, een eind met de redenering mee te gaan en er vervolgens iets naast te zetten waardoor de betekenis kantelt.
"Alles is mij geoorloofd" — 6:12
"Het is goed voor een man geen vrouw aan te raken" — 7:1
"Wij allen bezitten kennis" — 8:1
"Afgoden bestaan niet werkelijk" — 8:4
"Alles is geoorloofd" — 10:23
In hoofdstuk 8 gaat Paulus in op de stelling dat iedereen kennis bezit. Hij ontkent dit niet maar laat zien dat kennis verwaand maakt, terwijl liefde juist opbouwt.
Hoofdstuk 11 uit deze Korinthebrief is een bevreemdend hoofdstuk, zeker voor een modern iemand. Maar als we proberen de stijl van Paulus te reconstrueren, kan er iets heel anders gebeuren met het hoofdstuk. Laten we dit gedeelte eens rustig doornemen:
Profeterende vrouwen
[4] Iedere man die met bedekt hoofd bidt of profeteert, maakt zijn hoofd te schande. [5] Maar een vrouw maakt haar hoofd te schande wanneer ze met onbedekt hoofd bidt of profeteert, want dat is even schandelijk als met een kaalgeschoren hoofd.
Gelet op de eerdere stellingen die Paulus uit Korinthe oppakt, is het goed denkbaar dat hij ook hier begint bij een gedachte die voor zijn lezers heel herkenbaar was. Opvallend is in ieder geval wat Paulus níét problematisch vindt: dat vrouwen bidden en profeteren. Nog geen vers later spreekt hij daarover alsof het de normaalste zaak van de wereld is. De discussie gaat blijkbaar niet over wat een vrouw in de gemeente doet, maar over wat er op haar hoofd gebeurt terwijl zij het doet.
Voor Paulus is het geen probleem dat vrouwen betrokken zijn en een zichtbare rol in de gemeente hebben. Ze bidden, profeteren, nemen deel aan de samenkomst, net als mannen dat doen. Paulus zegt niet ‘in het hypothetische geval dat een vrouw profeteert…’ maar juist ‘iedere vrouw die profeteert’.
Maar misschien moeten we niet te snel aannemen dat Paulus hier al zijn eigen conclusie geeft. De spanning zit ergens anders: blijkbaar is er discussie over wat er op haar hoofd moet gebeuren wanneer zij dat doet. Wat als Paulus die discussie eerst een eind volgt, voordat hij er zijn eigen draai aan geeft? Paulus drijft de redenering vervolgens bijna tot het absurde: als een vrouw haar hoofd niet bedekt, kan ze haar haar net zo goed afknippen. En als kaalgeschoren worden voor een vrouw een schande is, moet zij haar hoofd maar bedekken.
De luister van de man
Daarna wordt zijn redenering nog scherper. De man is het beeld en de luister van God, de vrouw de luister van de man. De vrouw komt immers uit de man en werd omwille van de man geschapen.
Dit moet toch op zijn minst wat schuren bij de lezers van toen, maar ook bij die van nu. In Genesis 1:27 worden man en vrouw beiden genoemd als geschapen naar het beeld van God. Paulus zegt net niet dat dit niet zo is, maar zijn formulering is hier opvallend asymmetrisch.
Wie hier stopt, heeft een uitstekende tekst gevonden om een patriarchale ordening te verdedigen.
Maar Paulus stopt hier niet.
Vanuit de retorische logica van Paulus zou je nu mogen verwachten dat hij een algemeen gebod tot hoofdbedekking voorschrijft, dat de man gezag heeft over de vrouw, maar dat is nu juist niet het geval.
[10] Daarom, en omwille van de engelen, moet een vrouw zich wat haar hoofd betreft beheersen. (NBV21)
[10] Daarom moet de vrouw een teken van gezag op het hoofd hebben, omwille van de engelen. (HSV)
Wie heeft hier gezag
De Griekse formulering exousian echein betekent letterlijk dat iemand ‘gezag’ of ‘bevoegdheid heeft’. In vers 10 wordt die exousia vervolgens verbonden met haar hoofd: letterlijk staat er dat de vrouw exousia ‘op/over haar hoofd’ heeft. Wat Paulus daarmee precies bedoelt, is de grote vraag.
Traditioneel wordt dan gedacht aan het gezag van de man. De vrouw behoort het ‘gezag’ van de man, ofwel een ‘teken van dat gezag’ (hoofdbedekking) op het hoofd te hebben. Het woord ‘teken’ (HSV) is een vertaalkeuze en een invoeging. In het Grieks staat dit woord er niet. Het probleem bij deze interpretatie is bovendien dat Paulus hier niet bezig is met de onderlinge verhoudingen binnen het huwelijk, maar met mannen en vrouwen die bidden en profeteren in de gemeente.
Exousia betekent bij Paulus juist niet dat iemand zichtbaar maakt dat een ander gezag over hem of haar heeft. Het is vrijwel altijd het gezag of de bevoegdheid die iemand zelf bezit.
Vanuit dit perspectief is het vers eerder een bevestiging van de vrijheid van de vrouw, dan het ondergeschikt maken aan de man in de gemeente.
Vanaf dit punt lijkt Paulus de redenering te kantelen. Hij begon bij de culturele schande van een man met hoofdbedekking en een vrouw zonder, en voerde die lijn door tot de vrouw die omwille van de man geschapen is en zijn luister moet zijn. Maar juist wanneer je verwacht dat hij daaruit het gezag van de man over de vrouw afleidt, gaat hij een andere kant op.
Een vrije vertaling van vers 10 kan dan zijn:
Daarom, en jullie halen er zelfs engelen bij, moet een vrouw haar eigen gezag hebben.
Het woordje ‘daarom’ is hier cruciaal. Na al het voorgaande zou je verwachten dat Paulus klip en klaar de rolverdeling tussen man en vrouw in de gemeente duidt. Maar hij doet iets tegenovergesteld. Hij stelt dat een vrouw haar eigen gezag moet hebben. Vooral dat laatste moet als een enorme verrassing komen. Paulus trekt dan ook direct deze redenering door.
Niet zonder elkaar
[11] In ieder geval staat bij wie één zijn met de Heer, de vrouw niet los van de man en de man niet los van de vrouw. [12] Want zoals de vrouw uit de man is voortgekomen, zo bestaat de man door de vrouw – en alles is ontstaan uit God.
In de nieuwe realiteit die Christus brengt staat in elk geval de vrouw niet los van de man en de man niet los van de vrouw. Misschien is volgens Genesis 2 de vrouw wel uit de man voortgekomen, maar er bestaat geen man die niet uit een vrouw is geboren. En uiteindelijk is God de schepper van alles!
De hiërarchie waarmee de redenering begon, loopt hiermee vast. Niet de man vormt de verbinding tussen God en de vrouw. Man en vrouw staan beiden voor God. De vrouw ontleent haar gezag niet aan de man. Zij bezit zelf exousia en staat, evenals de man, uiteindelijk onder God.
In 1 Korinthe 7 gebruikt Paulus vergelijkbare taal om de verhoudingen tussen man en vrouw in het huwelijk te duiden. Hij gebruikt hierbij exousiazei een woord uit dezelfde woordfamilie als in hoofdstuk 11. De NBV21 vertaalt dit als ‘beschikken’. Binnen de patriarchale verhoudingen van de eerste eeuw is vooral de volstrekte wederkerigheid van Paulus' formulering opvallend.
1 Korintiërs 7
[4] Een vrouw beschikt niet zelf over haar lichaam, maar haar man; en ook een man beschikt niet zelf over zijn lichaam, maar zijn vrouw.
Noch de man, noch de vrouw heeft eenzijdig de beschikking over de ander. Paulus beschrijft een huwelijk als volledig wederkerig. En in hoofdstuk 11 trekt hij de lijn door naar de gemeentepraktijk.
Man en vrouw profeteren,
man en vrouw hebben exousia/gezag
man en vrouw zijn wederzijds afhankelijk
alles komt uit God.
De luister van de vrouw
In de afsluitende verzen doet Paulus opnieuw iets opvallends. Hij geeft geen nieuw gebod, maar doet een beroep op het eigen oordeel van de gelovigen in Korinthe: "Oordeelt u zelf." Vervolgens verwijst hij naar de 'natuur': leert de natuur zelf niet dat lang haar voor een man een schande is, terwijl het een vrouw tot eer strekt?
We moeten hier oppassen om 'natuur' direct te lezen als een biologisch gegeven. Het haar weet immers niet of het op het hoofd van een man of een vrouw groeit; zonder knippen wordt het bij beiden lang. Paulus doet eerder een beroep op wat zijn lezers herkennen als passend bij man en vrouw. Lang haar bij een vrouw ervaren zij als passend en eervol, bij een man juist als schandelijk.
En juist daar gebeurt opnieuw iets interessants. Paulus gebruikt voor die eer van de vrouw hetzelfde woord als eerder in vers 7: doxa, luister. Eerst is de vrouw de doxa van de man. Nu is haar lange haar doxa voor haarzelf. Binnen de lezing die we hier volgen, is dat veelzeggend. De vrouw die eerst als de luister van de man werd beschreven, draagt aan het einde haar eigen luister op haar hoofd. Precies het hoofd waarover zij volgens vers 10 zelf exousia heeft.
Genoeg discussie
En dan lijkt Paulus er wel een beetje klaar mee te zijn.
Wie hierover wil blijven twisten, schrijft hij in vers 16, moet weten dat "wij zo'n gewoonte niet hebben, en de gemeenten van God evenmin."
Het klinkt bijna alsof Paulus na een ingewikkelde discussie over haar, hoofdbedekking, eer en schande zegt: maak hiervan nu geen nieuw kerkelijk strijdpunt.
Al eeuwenlang verschillen uitleggers over de vraag waarop "zo'n gewoonte" slaat: op de hoofdbedekking of op het twistzieke gedrag zelf. Binnen een brief waarin Paulus voortdurend het onderlinge geruzie in Korinthe bestrijdt, verdient die tweede mogelijkheid minstens serieuze aandacht.
En misschien is dat wel bijzonder ironisch. Want juist deze woorden zijn eeuwenlang gebruikt om heel precies vast te leggen wat vrouwen wel en niet op hun hoofd mochten hebben.
De andere bril
1 Korintiërs 11 blijft een moeilijk gedeelte. Misschien is het daarom juist zo vaak gebruikt om bestaande overtuigingen over mannen en vrouwen te bevestigen. Maar wie de tekst eens door een andere bril leest, kan iets heel anders ontdekken.
Paulus begint met een redenering waarin de vrouw de luister van de man is en omwille van hem geschapen werd. Maar daar eindigt hij niet. De vrouw die bidt en profeteert bezit zelf exousia. In de Heer bestaat zij niet zonder de man, maar de man bestaat evenmin zonder de vrouw. De eerste vrouw kwam uit een man, iedere man daarna door een vrouw, en uiteindelijk komt alles uit God.
Misschien is dat wel de verrassende beweging van dit hoofdstuk. De vrouw begint als de luister van de man, maar eindigt niet onder zijn gezag. Zij staat naast hem, in de Heer, met haar eigen gezag en haar eigen luister. En beiden zijn uiteindelijk afhankelijk van God.
Misschien moeten we Paulus niet gebruiken om vrouwen hun plaats onder de man te wijzen. Misschien was hij juist bezig die plaats open te breken.
Bronnen en verder lezen
- Lucy Peppiatt, Women and Worship at Corinth: Paul’s Rhetorical Arguments in 1 Corinthians. Eugene, OR: Cascade Books, 2015.
- Jerome Murphy-O’Connor, Keys to First Corinthians: Revisiting the Major Issues. Oxford: Oxford University Press, 2009.
- Thomas R. Shoemaker, “Unveiling of Equality: 1 Corinthians 11:2–16.” Biblical Theology Bulletin 17, nr. 2 (1987): 60–63.
- Julie Newberry, “Paul’s Allusive Reasoning in 1 Corinthians 11.7–12.” New Testament Studies 65, nr. 1 (2019): 43–58.
- Callie Callon, “Authority Over Whose Head? Did Paul Instruct Wives or All Women to Cover Their Heads (1 Corinthians 11:2–16)?” Harvard Theological Review 117, nr. 4 (2024): 699–719.
- Preston T. Massey, “The Meaning of κατακαλύπτω and κατὰ κεφαλῆς ἔχων in 1 Corinthians 11.2–16.” New Testament Studies 53, nr. 4 (2007): 502–523.
Copyright
© 2026 Erwin Lieftink. Gepubliceerd op Bijbelse Gelijkheid.